Als we Saeul binnenrijden, zie ik de boom al van veraf. Hij is zo groot dat zijn takken hoog de lucht in reiken. De stam is zo dik dat we er met z’n drieën onze armen niet omheen kunnen slaan. De schors is ruw en vol patronen, alsof hij heel veel verhalen te vertellen heeft.
„Hij lijkt wel een boom uit een sprookje”, fluistert Emil terwijl hij omhoog kijkt.
Vlak bij de boom loopt een smal pad langs een klein meertje naar een oud washuis. We lopen er samen heen. Het water in het washuis is een beetje troebel en glinstert mysterieus in het zonlicht dat door de ramen en deuren schijnt. Ik ga op mijn knieën zitten, dompel mijn vingertoppen in het koude water en krijg een idee.
„Emil, heb je dat gehoord?” vraag ik mysterieus.
Emil komt dichterbij, buigt zich over het water en luistert aandachtig.
Ik schep een handvol water op en spetter hem nat. Emil springt op:
„Oooh… koud… Mia, dat is gemeen!”
We barsten allebei in lachen uit en rennen weer naar buiten, naar mama, die op een bankje zit. We gaan naast haar zitten, eten onze picknick op en luisteren naar de geluiden van de natuur. De zon verwarmt onze gezichten en de bladeren ritselen in de wind. Ik stel me voor hoe mensen hier vroeger onder de boom bijeenkwamen, verhalen vertelden, praatten en lachten, terwijl de boom over hen waakte.
Ik kijk uit over de weide en weet: deze boom is iets bijzonders. Een getuige van verhalen uit het verleden. Kon hij maar praten!